Waisjoedai *
Hoe intens kan het zijn: een beschouwing -met terugwerkende kracht- van een rouwende mens. Rouwen is deel van het leven. Vroeg of laat overvalt het je. Wie dit boek leest, herkent zich moeiteloos of verplaatst zich in de ik-figuur, zijnde de auteur Caro Van Thuyne.
Van Thuyne bouwt een moeder-dochter-verhaal op rond liefde en verdriet, rond dankbaarheid en intense weemoed, rond de kleine verhaaltjes uit een mensenleven,... Het snijdt hevig, het doet je stil glimlachen, harde passages komen ongefilterd binnen,… Het is geen boek om snel tussendoor te lezen. Af en toe wat afstand nemen en de woorden laten bezinken, is aangeraden.
Van Thuyne gebruikt onze taal op een virtuoze manier. Zo vertelt ze haar gedachten en gevoelens tijdens het ziekteproces en na het overlijden van haar moeder. Ze gebruikt woorden, klanken, zinnen,… op eigen wijze. Ze verzint woorden als ze het nodig acht. Switchen naar een poëtische stijl komt het verhaal ten goede. Leestekens gebruikt ze; of laat ze weg. Herhalingen stuwen het verhaal de gewenste richting uit. Een typografische keuze verduidelijkt haar g e v o e l e n s. De afasie van haar moeder verhoogt haar drang naar experimenteren, uitpuren, graven naar dé juiste manier van communiceren. Wat een meesterschap.
De beschrijving van haar moeder is ongezien. Tot in de kleinste details typeert ze haar m’mà: hoe ze spreekt, hoe ze liedjes van Will Tura zingt, hoe ze klinkt, hoe ze bloemen vasthoudt,… Veel oneliners en ‘vertellementen’ tonen hoe zij haar m’mà als kind, als jongere en als volwassene intens geobserveerd heeft. ‘D’er goa’ were blètinge van koom’n é!’ Lijken mama’s op elkaar?
Het hele verhaal door vertelt ze over de warme familiebanden met haar pa, haar twee broers en haar zus. Liefdevol verweven in het geheel van de zorg voor m’mà. Maar daarnaast vertelt ze over haar ‘zusters’ en ‘tantes’. Hiermee doelt ze op vrouwelijke denkers en schrijvers die het patriarchaat durven in vraag stellen. (p 142) Van Thuyne profileert zich als een feministe die weet waarom ze deze keuze maakt voor zichzelf. Iets wat voor haar m’mà tijdens haar leven absoluut ‘not done’ was. Een harde, verstikkende jeugd was haar deel. Lees en herlees de denklijnen van de favoriete vrouwen van Van Thuyne. Voeg toe aan jouw lijstjes; het zijn pareltjes.
Kleine verhaaltjes, mythes, aangepaste scheppingsverhalen,… doorspekken het geheel. Soms brengt dit rust; soms creëert het grote onrust. Caro Van Thuyne ventileert over onze maatschappij, over de houding tegenover patiënten,… Dit kan tot heftige passages leiden. Van Thuyne gaat haar boosheid en frustratie niet uit de weg. Ze uit wat ze voelt. Ze typeert mensen scherp en onverbloemd. Indringend.
De natuur is een belangrijk facet in dit boek. ‘Dit boek is een groeiend bos en elke boom ben jij’. Zo schrijft Van Thuyne het op p. 210. Heel veel fragmenten zijn wondermooie beschrijvingen van de natuurelementen, van mist en regen, van groeien en bloeien,… Het wel en wee van de kolonie roeken (moederoeken) naast het ziekenhuis vormen een parallel verhaal dat voor ontlading en troost zorgt.
Dit is een boek dat je gelezen moet hebben. Neem je tijd.
* p. 207 e.v.
Synopsis
Na een ongelukkige val blijft de moeder van de ik-figuur achter met een gedeeltelijke verlamming en kan ze enkel praten in onbegrijpelijke woorden en zinnen. Voor een schrijver is geen groter verlies denkbaar dan het verlies van taal. Door middel van taal wil de dochter de band met haar moeder weer uittekenen. Deze autofictie is een ode aan de moeder, maar ook aan taal, literatuur en fantasie.