Het schrijverke en het Gezellearchief

18 augustus 2026

In Roeselare schreef Guido Gezelle een guitig gedicht over een klein waterkevertje. Het zou een baken worden in de Nederlandstalige poëzie. In de Vlaamse poëzie neemt Gezelle terecht een belangrijke plaats in. Zijn teksten blijven aanspreken omdat ze over herkenbare dingen in het leven gaan: vriendschap, de natuur, kleine gelukjes. En telkens graaft hij wat dieper dan je zou verwachten. De taal is soms een uitdaging, maar de inhoud niet.

Sta me toe om krinkelend en winkelend op zoek te gaan samen met jou naar de mens achter de grootste dichter die Brugge heeft voortgebracht. Neem het mij niet kwalijk. Ik leef en ik roer en ik loop zo snel: dat is wat een schrijverke doet. Bij Els Depuydt van het Gezellearchief in de Openbare bibliotheek rechtte ik mijn oorkes flink, want ze had zoveel te vertellen over de gigantische verzameling aan materiaal van en over Guido Gezelle.

Brugge en Gezelle, ze horen bij elkaar. In Brugge werd hij in een wiegje gelegd en in datzelfde Brugge ook in het graf. En rond zijn veertigste was hij hier zeven jaar lang onderpastoor. Hij zocht naar een taal die de West-Vlamingen bijeen zou brengen. In een algemene taal, gedeeld met Nederland, geloofde hij niet. Het Noorden was protestants, dat was niet Vlaams. Hij wou de taal plaatselijk houden, dicht bij de mensen, een beetje zoals het Fries zich niet liet onderdrukken door het Nederlands.

Gezelle was een mensenmens. Hij gaf soms zijn laatste cent weg aan arme mensen. Ook bij zijn leerlingen was hij heel betrokken. Zo creëerde hij in het Kleinseminarie van Roeselare een natuurkabinet: een belevingsruimte, een leefwereld met opgezette dieren. De rijkdom van taal wou hij hun ook heel graag bijbrengen, met veel gedrevenheid.

Alles wat Guido Gezelle deed, was bijzonder intens en doorleefd. Hij bestudeerde allerlei vreemde talen. Voor het Engels had hij een bijzondere voorliefde. Gezelle hield een woordentas bij, een verzameling die uitgroeide tot 150 000 fiches met Vlaamse woorden. Hij schreef ze zelf neer – tot in de biechtstoel toe – of ze werden hem toegestuurd.

Gezelle was geen eenzaat, hij wou zo graag dicht bij de mensen zijn, bij zijn studenten ook. Denk maar aan Eugeen Van Oye, die honderd jaar geleden overleed, en voor wie hij ‘Dien avond en die rooze’ schreef, en ‘Ik misse u’.

Met Lady Smith, een Engelse dame die een oplichtster bleek te zijn, kwam hij in al zijn goedheid zelfs in de problemen. Gezelle was toen onderpastoor in Brugge, in Sint-Walburga. De lady kwam met haar man tegenover hem te wonen. Ze kwam altijd geld tekort en kocht dure spullen op Gezelles naam. Zelf wist hij nergens van. Het werd een heel schandaal.

Guido Gezelle kende donkere periodes. Hij voelde zich vaak miskend, niet goed begrepen en er waren conflicten met collega’s en de hiërarchie. Grote vreugde vond hij in de natuur. We mogen stellen dat hij ‘gebiologeerd’ was door de pure schoonheid van planten en dieren. Kortom: een merkwaardige man, voor wie ik graag nederig mijn kabotseken afneem.

Wist je dat heel wat van het gigantische archief intussen digitaal in te kijken is? Gedichten en proza, soms in Guido Gezelles eigen handschrift, maar ook brieven en allerlei anekdotes. Gezelle in zijn tijd, Gezelle in onze tijd, het onvergankelijke van Gezelle: alles komt aan bod.

Neem een kijkje op www.gezelle.be en ontdek mooie stukken uit het Gezellearchief op je eigen tempo en surf rond volgens je eigen interesse en de leuke tips die je aangereikt worden. In die wondere wereld ben ik nimmer van ‘t muisklikken moe. Welkom in de digitale belevingsruimte over Guido Gezelle!

In de Openbare bibliotheek is zijn verzameld werk natuurlijk ook in de rekken te vinden bij de poëzie. En nog veel meer…

Bij de poëzie, daar blijf ik graag een stondeke staan. Dat is wat een schrijverke doet… Dan denk ik terug aan toen, aan die wonderlijke ontmoeting tussen een taalvirtuoos en een bescheiden schrijverke. Ja, Gezelle en schrijverkes: ze zijn tijdloos…

Ik schrijf met vlijt, over en weer,
al krink’lend op het water neer,
van avondrood en ochtenddauw,
en ‘t water wist mijn woorden gauw.

Maar langs de oever zit een man
in zwart gewaad, die lezen kan
in wolken, water, wind en blad
de taal die steeds verborgen zat.

Zijn klare klanken rijmen uit
hoe ‘t eeuwige in ‘t spruitend kruit
haar naam uitleent, haar zacht gezicht
onthult zich in een speels gedicht.

Voordat mijn schrijfsels zijn vergaan,
van ’t waterke zijn weggedaan,
heeft hij de schoonheid neergepend,
mijn lesse wordt alom bekend.

En ‘t priesterke schrijft naarstig voort
zijn kwetsbaar teer en zoekend woord,
en leert het volk dat raast en aast
hoe breekbaarheid de mens onthaast.

Tekst: Sven Vannecke
Illustratie 't Schrijverke: Klaas Verplancke