Leren kijken met Peter Terrin, Mira Aluç en Bob Vanden Broeck in Lees Meer!
De jongste editie van Lees meer! op14 juni ging vooral over anders leren kijken. Naar wie/wat we niet altijd zien, wie/wat we voorbijlopen. Drie interviews, in 3x4 citaten.
Bob Vanden Broeck, Je zit op een stoel
‘Hoezo, ben je niét bang van de arbeidsmarkt?’
De bekroonde dichter Bob Vanden Broeck zette zijn job als docent kunst- en cultuurgeschiedenis stop. Hij wou ‘arbeid’ graag op een andere manier invullen, zichzelf nooit meer horen zeggen ‘Ik moet naar mijn werk’. Schrijven doe je thuis, de plek waar je vrij bent.
‘Zitten, wat is dat…?’
Zitten is een houding die we (al te) vaak aannemen. Die is enerzijds onaangenaam, vreselijk soms, of vervelend. Maar het is tegelijkertijd een cadeautje: je krijgt de tijd om te kijken. Tussen dat gekmakend neurotische en het bezwerend mooie van die ervaring navigeert de auteur, 107 pagina’s lang.
‘Het labyrint van een glas water.’
Het zou mooi zijn als we in onze overprikkelde, haastige wereld een gevoeligheid zouden ontwikkelen voor aandachtig kijken. Vanden Broeck richt zijn aandacht graag op banale zaken als een boom, een vogel, een mok koffie. Door, afhankelijk van hoe hij zich voelt, de woorden te vinden om te zeggen wat hij ziet, opent hij nieuwe ruimtes in zijn hoofd: een roeiende meeuw is geen vliegende meeuw, een tak die wiegt krijgt plots iets teders en geboorteachtigs. Deze kleine, minimale bewegingen maken onuitputtelijke dimensies zichtbaar, de werkelijkheid ontploft in je gezicht.
‘De lezer geen kans geven om naar adem te happen.’
Vanden Broek debuteerde als dichter. Ritme, herhaling, cadans zijn soms sturender dan wat er staat. Ook in zijn prozadebuut kan hij de blik van de dichter niet afzetten, ook daar is het ritme bepalend: hij laat de lezer geen ruimte voor pauzes, zijn blik kan niet ontsnappen in witruimtes, je leest het best in één teug. Zo wordt hij mee ondergedompeld in het rusteloze van de innerlijke ervaring van het personage op de stoel.
Peter Terrin, Nog lang geen winter
‘Ik heb meestal een intieme band met mijn personages.’
Zijn personages blijven nog lang bij Peter Terrin, ook na de publicatie van zijn boeken. Ze mogen zelfs auditie komen doen als hij een idee heeft voor een nieuw boek. Simon en Carla, twee personages uit Al het blauw, een vorige roman, scoorden het best in de selectie. Zij mochten hun leven voortzetten, ook ná de jaren 80.
‘Speculatieve fictie’
Terrin houdt van intrige, ook als die verpakt wordt in een ‘existentieel detectiveverhaal’. De hoofdpersoon krijgt ongevraagd een fenomenaal bedrag op zijn rekening gestort. Door wat blijkt een soort experimentele vakantie te zijn, komt hij in een parallel bestaan terecht en belandt zo in ‘wat als’-scenario. Hoe zou zijn leven er hebben uitgezien als hij in het verleden andere beslissingen had genomen? Het experiment loopt fout, maar brengt hem wel dichter bij zijn dochter, met wie hij een moeizame, verwrongen relatie had.
‘Ik geef mijn eigen foto’s sterretjes.’
Niet alleen de hoofdpersoon uit zijn nieuwe roman is kunstfotograaf, Peter Terrin is dat zelf ook. Hij trekt de wereld in en stelt zich graag op als een alien die alles verbaasd en verwonderd gadeslaat. Meestal maakt hij drie foto’s van hetzelfde beeld, en vaak is de eerste de beste: hij geeft de opwinding van het moment weer, waarop hij connectie maakt met de wereld die we een beetje kwijt zijn, de ontroering die ontstaat als ‘banale’ elementen worden samengevoegd in een beeld. Hij fotografeert analoog en dat geeft een mooie vertraging – het duurt soms een jaar voor hij de foto’s kan ontwikkelen - daartoe de sterretjes. Voor zijn nieuwe fotoboek selecteerde hij beelden die hij met elkaar laat spreken, ook via ‘tekstvignetten’.
‘Fotografie en literatuur: ze werken omgekeerd.’
Wie literatuur schrijft, vertrekt van een wit blad en creëert een hele wereld. Bij fotografie heb je de hele wereld, en die moet je vernauwen tot een kleine uitsnede.
Mira Aluç, Sprokkelaars
‘Ik voel enige nostalgie naar het stadium van het predebuteren.’
Na tien jaar aspirant-auteurschap en vier jaar schrijven aan haar debuut was De Bronzen Uil winnen een blijk van erkenning. Toch voelt Mira Aluç een zekere druk: debuteren kun je in complete onbekendheid, het is van ‘niets’ ‘iets’ maken. Bij het tweede boek denk je: dit moet méér zijn dan het vorige.
‘Het is een limbo.’
Het decor van haar debuutroman is een partijloods, waar een schaduwhandel voor afgedankte spullen plaatsvindt: hondenvoer, kerstverlichting, enorme flessen shampoo, noem maar op. De loods staat op een industrieterrein tussen een grote en een kleine stad, een tussenplek. De mensen die er werken voelen zich zowel uitgestoten uit de samenleving als deel van een alternatieve ‘sociotoop’, een plek waar ze thuiskomen. Een goede baan, wat is dat trouwens? Kan dat ook iets zijn wat maatschappelijk niet zo belangrijk is? Het is de vraag waar ook de hoofdpersoon van de roman – en met hem wellicht vele jongeren – mee worstelt: een student economie aan de kassa van een partijloods, is dat niet te laag gegrepen?
‘Sprokkelaar is een geuzennaam geworden.’
Mira Aluç schrijft in haar roman over verschillende mensen die eerder onzichtbaar zijn: sprokkelaars, die elke dag het goede proberen te doen en daarbij ook wel eens brokken maken. Hun moreel of juridisch kompas staat soms wat anders afgesteld, maar het belangrijkste is dat ze ’s avonds in de spiegel kunnen kijken. Iedereen kan het zijn, maar je moet er wel wat moeite voor doen, voegt ze er fijntjes aan toe.
‘Hé, lezer, neem even de tijd. Ik heb een boek geschreven, geen Netflixserie.’
Een auteur mag best wat van de lezer vragen, daarom koos ze opzettelijk voor een sobere schrijfstijl. Zo wil ze hem beter leren kijken. Dat vergt enig doorbijten, maar volgens Mira komt ze daarmee tegemoet aan de algemene behoefte aan vertraging en verstilling.
Aan het begin van de interviewreeks nodigde Ann De Bie de eerste gast uit om een van de twee zitjes te kiezen: Je mag je hier zitten, tenzij je … afstand wil houden? grapte ze. Bob Vanden Broeck koos prompt voor het zitje dichtst bij het hare. Ook de andere gasten deden dat, en zo kon Ann de Bie ons ongehinderd binnenleiden in het unieke universum van elke schrijver: de intensiteit van een ontwapenende Vanden Broeck, het sérieux van Terrin en de ongedwongen naturel van de kersverse Bronzen Uil-winnares Mira Aluç.
Tekst: Charlotte Hardeman
Foto's: Dieter Tanghe