Schrijver Sven Vannecke: 'Het is belangrijk dat we weten waar we vandaan komen en waar we niet naar terug moeten.'
Sven Vannecke wil een dynamisch beeld schetsen van het verleden. In Leischote 1926 dringt hij door tot de diepste vezels van een dorpsgemeenschap. De oude waarden staan op de helling, de wereld kantelt, maar is het dorp er klaar voor?
Sven is geboren in Lombardsijde, een dorp aan de Belgische kust. Het werd zwaar getroffen tijdens de gevechten rond de IJzer en na de oorlog grotendeels heropgebouwd. Bij de uitbreiding van rioleringswerken een tijd geleden bleek dat zijn ouderlijk huis vlak bovenop een loopgraaf was gebouwd. “Ze hebben toen alles gewoon dichtgesmeten,” legt Sven uit. “Alles was nieuw ook. Toen we met de lagere school een bezoek brachten aan Brugge keek ik mijn ogen uit op al die oude gebouwen. Erfgoed, het bestond.”
Je interesse voor oorlog komt dus niet uit de lucht vallen?
“Oorlog en trauma, het zijn thema’s die mij mateloos boeien. Hoe gaan mensen om met hun rugzak? Meesleuren en doorlopen was vroeger het devies. Het was een tijd van zwijgen en voortdoen – veel bleef onuitgesproken. Stilaan zijn we beginnen beseffen dat we daar anders mee om moeten gaan: het verleden kun je niet uitwissen, je moet het verwerken. Op mijn werk in AZ Sint-Jan zie ik veel ouderen worstelen met existentiële vragen: wat nu? Wat ligt er achter mij? En wat ligt nog voor mij?
En er is natuurlijk ook de oorlog op kleine schaal: mensen kunnen vaak moeilijk met elkaar overweg. Ze stoppen veel energie in het voeren van kleine veldslagen, uit verveling, of frustratie. In die zin is er nog niet veel veranderd. Het is, vrees ik, des mensen.”
Getriggerd
Na de oorlog moesten de bewoners van de verwoeste dorpen in houten barakken wonen. De overgrootmoeder van Sven was net weer moeder geworden en vond de leefomstandigheden vreselijk. Zijn oma daarentegen keek daarop terug als een fantastische tijd en vond stenen huizen dan weer niks. Sven genoot er als kind al van om met hen aan tafel te zitten en naar hun verhalen te luisteren. Zijn overgrootmoeder, net geen honderd geworden, kon hele stambomen opsommen! Hoe verschillend zij beiden spraken over vroeger, dat is wat hem aanzette om te beginnen schrijven. Hij putte rijkelijk uit het arsenaal van zijn (over)grootmoeder, maar evengoed uit gesprekken die hij onderweg oppikte. “We zijn een pratende samenleving geworden,” mijmert Sven, “terwijl iedere mens een spons is van informatie. Goed kunnen luisteren maakt veel los. Ik ben goed in het opslaan van verhalen. We léven van verhalen.”
Je zat ook avondenlang met je neus in digitale krantenarchieven. Waar was dat voor?
“Die tijd is enorm goed gedocumenteerd. En de reporter van vroeger was een feitenverslaggever en een verhalenverteller tegelijk. Zo leverde een krantenartikel al eens rechtstreekse inspiratie op - dat was bijvoorbeeld het geval met het verhaal van de ontploffende obus op het veld. Maar ook als een verhaal uit mijn boek te mager bleek, wat kleur miste, kon ik dat larderen met gegevens uit kranten van toen. Ik verzamel dus terwijl ik aan het schrijven ben, het loopt door elkaar, en gebeurt organisch. Wat ik heel bewust gebruikt heb, zijn de weerberichten. Dat is minder gek dan het klinkt, want het weer was iets belangrijks voor de mensen. Als het vroor, dan vroor het ook binnen. Het zorgde ook voor veel onzekerheid: wanneer was het de juiste tijd om het land te bewerken? Zo kon ik meteen ook een soort reconstructie maken van de tijd: een hevig onweer, de heetste zomerdag, mist, de najaarszon: alles klopt precies met de datum boven het hoofdstuk. Ten slotte vond ik in de kranten ook de nodige sociaal-politieke achtergrond voor mijn verhalen.”
A crash in slow motion
De jaren 20 schetst Sven als een roerige periode. Je had toen elk jaar een andere regering - politiek gebakkelei is dus van alle tijden. Maar de jaren 20 waren vooral een bubbel van nieuwigheden, alles was in beweging. De opkomst van het socialisme en de vrouwenrechten deden het hiërarchisch denken wankelen. De kerkse houding van zwijgen en gehoorzamen gold plots niet meer voor iedereen. De lange kleren raakten uit de mode en de rokken werden korter. De auto en de grammofoon maakten hun intrede, er kwam cinema en men danste de charleston. Zedenverwildering, klonk het unisono vanuit het katholieke koor! De H. Hartbond was geboren. En men begon er vroeg aan: kinderen werden al klaargestoomd voor de goede zeden als ze amper konden lezen. De pastoor stond aan het huwelijksbed en aan de deur van de vrouw die haar frivole minnaar binnenliet, en dat wou men het liefst zo houden. Lees er de verhalen maar op na.
Het katholicisme is volgens de auteur eigenlijk toen al beginnen verbrokkelen. Tot in de vroege jaren 60 waren er nog grote noviciaten, met 10 à 15 roepingen per jaar. Daarna was het over en out. Het klooster was plots niet meer de enige plaats voor een vrouw om carrière te maken, de emancipatie had haar werk gedaan. Eigenlijk hebben bepaalde tradities nog lang standgehouden: zeventig jaar geleden liepen kloosterzusters hier nog in een soort boerka rond. “De crisis van de jaren 30 en de oorlog erna hebben de vooruitgang die toen was ingezet compleet weggeveegd,” besluit Sven, ”het zijn eigenlijk onze tweede donkere middeleeuwen. Men zette toen stappen terug: vlaggenzwaaien werd weer populair, of volksdans. Het duurde tot de jaren 60 voor dat vooruitgangsdenken weer werd opgepikt.”
Je boek heeft geen echt hoofdpersonage, je koos voor een mozaïek van verhalen rond 24 personages. Hoe leg je zo’n puzzel?
“Ik heb bewust van Lode, de onderpastoor, niet de verteller gemaakt. Eigenblijk is het dorp het hoofdpersonage, en daarvoor had ik veel stemmen nodig. Ik heb vrij snel een paar grote verhaallijnen vastgelegd en daar de andere verhalen strategisch rond geweven. Ik schrijf liefst in de rust van de avond en kon zo makkelijk mijn focus verleggen naar nieuwe personages. Soms lukt een scène meteen, soms moet je die in verhaalvorm omzetten, of desnoods eruit gooien. Het gekke is dat alles in mijn hoofd blijft zitten. Zo pikte ik scènes die het niet gehaald hadden in boek één weer op in boek twee. De verbeelding is een wonderlijk iets.”
Weg met clichés
Sven wil met zijn boek ook doelbewust ingaan tegen een aantal clichés. De brave boerin die naar haar heer en meester luisterde, om er maar een te noemen. Veel vrouwen uit de verhalen zijn wijs en hadden de werkelijke leiding in het gezin. Wellicht dienden zijn overgrootmoeder en oma hier als voorbeeld.
Ook het ‘conclaaf van coméren’ moet je in het juiste daglicht zien: door gegevens te verzamelen en die selectief door te spelen aan pastoor en burgemeester bepaalden zij wat er gebeurde in het dorp. Zij stuurden dus de leidinggevenden aan.
Het priesterschap is nog zo’n thema. Dat had vaak weinig met ‘roeping’ te maken. Mannen werden priester omdat het toen traditie was om een van de zonen naar het seminarie te sturen, liefst de oudste, zeker als die geen interesse had om de boerderij over te nemen. Soms geraakten de andere broers sneller aan een meisje en namen zij het hof over, en dan was dat een dankbare uitweg voor de zoon die overbleef. Lode, de kapelaan van Leischote, is nog zoekende.
Een onderpastoor trad normaal ook in het voetspoor van de pastoor, die hij van zijn vijfentwintigste tot zijn vijfendertigste had gevolgd – op die manier werd het klassieke gedachtengoed doorgegeven. Lode heeft een totaal andere verhouding tot de pastoor, hij is slimmer en progressiever.
Ook het klassieke triumviraat van burgemeester-dokter-pastoor moet eraan geloven. Sven Vannecke neemt elke gelegenheid te baat om daar de scheurtjes van te laten zien. “Maar het beeld dat ik vooral wil bestrijden, is dat het vroeger zoveel beter was. Dat argument vindt door de huidige verrechtsing weer aanhang. Ik wil dan ook een pleidooi houden om niet in het verleden te gaan wonen, het niet te romantiseren. Je kunt er ook niet uit knippen en plakken, dat zou nu niet meer werken. Het is belangrijk dat we weten waar we vandaan komen en waar we niet naar terug moeten. Laten we de vrijheid die we nu hebben omarmen.”
Komt na 1925 en 1926 nu een Leischote 27…?
“Het was nooit mijn bedoeling om vervolgromans te schrijven. Je kunt de boeken trouwens ook in omgekeerde volgorde lezen, sommige passages uit boek één lezen dan als een flashback die je zaken uit boek twee beter doen begrijpen. De crisisjaren als contrast? Dat zou kunnen, maar misschien wordt wat ik schrijf wel iets totaal anders. Ik denk wel dat ik mijn stem gevonden heb. Ik ben niet de schrijver van de actie, of een die zijn boodschap van de daken schreeuwt. Ik ben meer een fluisteraar, voor lezers die graag willen luisteren.”
Benieuwd geworden? Sven signeert op 3 en 4 november op Boektopia in Kortrijk.
Tekst: Charlotte Hardeman