Duidelijke kennismaking met enkele vrouwen in de filosofie
Hermsen start haar betoog in 1984, wanneer ze haar postdoctorale studie in Parijs aanvat. Ze blikt hierbij terug op haar eigen vrouw zijn. Thuis leefde ze in een gezin waarin de mannen het voor het zeggen hadden, daarna ervaarde ze hetzelfde op de universiteit.
“Wat moest ik doen om er gewoon te mogen zijn en te mogen denken, schrijven en spreken, zonder uitgelachen te worden?”
Op weg naar Parijs neemt ze drie vrouwelijke denkers in gedachten met zich mee: Simone de Beauvoir als gelijkheidsdenker, Luce Irigary als verschilfeminist en Hannah Arendt die kiest voor pluraliteit.
De gelijkheidsdenker gaat voor gelijke rechten tussen man en vrouw. De verschilfeminist vindt dat de bevrijding van vrouwen niet zozeer ligt in de gelijkheid maar in het benoemen van het verschillend zijn van vrouwen, waardoor er veel aandacht gaat naar het label van ‘de vrouw’.
Hermsen zoekt een benadering tussen beide uiteenlopende standpunten en vindt dit terug bij Arendt, in de pluraliteit en de nataliteit. Pluraliteit waarbij veel mensen zorgen voor verscheidenheid, waarbij we ons denken kunnen verruimen door ons met behulp van onze verbeeldingskracht in anderen te verplaatsen. Onder nataliteit verstaat Hermsen de telkens nieuwe inzichten, nieuwe initiatieven en nieuwe visies die we opdoen in ons leven waardoor we telkens opnieuw ‘geboren worden’.
“De vrouw diende kortom niet langer als de radicale Ander van de man beschouwd te worden, maar man en vrouw moesten beurtelings voor elkaar de ander leren te zijn.”
Tot haar grote verbazing wordt Arendt nergens genoemd in haar postdoctorale studie in Parijs. Na deze terugblik op haar studietijd beschrijft Hermsen de episode in het leven van Hannah Arendt waarbij ze in Parijs verblijft tot ze uiteindelijk moet vluchten naar Amerika. Hermsen wijdt vooral aandacht aan de ervaring van Arendt als staatloze, een kwetsbare positie als vluchteling die vooral gekenmerkt wordt door rechteloosheid. De auteur legt hierbij ook het verband met de huidige kijkwijze op het vluchtelingenbeleid.
Na haar verblijf in Parijs komt Hermsen in contact met de Belgische filosoof Collin, die zich jarenlang heeft verdiept in het werk van Arendt. Ook Collin was geen voorstander van het verschildenken in sekse.
“Natuurlijk betekent vrouw- of man-zijn iets voor ons, maar wat precies valt niet te zeggen; dat is een onmogelijkheid. We worden bovendien niet geheel bepaald door ons geslacht.”
Tot slot maakt de auteur een beknopte conclusie van de evolutie van vrouwen in de filosofie van de laatste dertig jaar. Het resultaat daarvan is teleurstellend door Hermsen. Er is nauwelijks vooruitgang geboekt.
Hermsen vertaalt de filosofie en de standpunten van de diverse vrouwelijke filosofen in een heldere en heel toegankelijke taal door weinig gebruik te maken van abstracte en/of filosofische begrippen. Dit maakt het essay heel leesbaar. Ze maakt soms wel te vaak een opsomming van literaire schrijvers en filosofen, waarmee ze haar eigen belezenheid lijkt te willen benadrukken.
Het essay is een mooi intermezzo en een duidelijke kennismaking met vrouwen in de filosofie, maar voor wie zich al vaak verdiept heeft in de filosofische literatuur kan het te licht verteerbaar zijn. Ik blijf het werk van Hermsen echter met veel plezier lezen.