Een eerlijke zoektocht naar de vraag hoe iemand kan verdwijnen in de plooien van het vergeten.
Hij was dood maar zij was de enige die hem mocht laten sterven. Hij was 38 jaar.’
De Ondergang is het zevende boek in het autobiografische oeuvre van Edouard Louis, een nieuw deel waarmee hij afrekent met zijn traumatische jeugd. Deze keer onderzoekt hij de aftakeling en het overlijden van zijn oudere broer, die op achtendertigjarige leeftijd stierf aan de gevolgen van drankmisbruik.
Zijn broer zoekt, getergd door zijn denigrerende vader, voortdurend naar bevestiging dat hij iets kan, maar vooral naar (h)erkenning dat hij mag bestaan. Vanuit zijn beperkte wereld en zijn onvermogen tot zelfreflectie lukt het hem niet om dit echt aan te pakken en vlucht hij in onrealistische grootheidsfantasieën.
In zestien ‘feiten’ reconstrueert Louis zijn broers ondergang. Hij baseert zich hiervoor op eigen herinneringen, gesprekken met ex-partners en vrienden. Die fragmentarische opbouw geeft het boek een zakelijke structuur die de indruk van een objectief verslag versterkt.
Het resultaat van deze queeste is een indringende roman die haast als een documentaire leest.
Hoewel De Ondergang overduidelijk autobiografisch is, weigert de auteur zijn broer te gebruiken als decor voor zijn eigen verhaal. Hij tast, onderzoekt en reconstrueert, haast wetenschappelijk, hoe het zover heeft kunnen komen dat het leven van zijn broer totaal ontspoorde.
Dit onderzoek roept enkele fundamentele vragen op: in welke mate bepaalt afkomst een mensenleven? Kan je ontsnappen uit je sociale milieu, en als het niet lukt, ben je dan zelf verantwoordelijk of ligt de schuld bij de heersende klasse?
Schrijven wordt een existentiële noodzaak voor de auteur: een poging om te begrijpen hoe twee broers, gevormd door hetzelfde milieu, zo’n uiteenlopende levens kunnen leiden.
Zijn broer komt over als een vlak personage, waardoor hij af en toe dreigt te vervallen tot een karikatuur van de kansarme man die er niet in slaagt zich te ontworstelen aan zijn sociale milieu. Toch lijkt Louis hier een bewuste keuze te maken en past dit binnen het veilige kader dat hij met zijn documentaire stijl wil creëren.
Net als in Autobiografie van mijn Lichaam van Lize Spit wordt schrijven vooropgesteld als noodzaak: een manier om in het reine te komen met het eigen pijnlijke verleden om de persoon die je vandaag bent vrijheid van bestaan te geven. In De Ondergang gaat de auteur echter in documentaire stijl tewerk. Misschien was het een moediger maatschappijkritisch experiment geweest als Louis zijn volwassen leven in Parijs had durven spiegelen dat van zijn broer.
‘Misschien kan je pas echt en oprecht spijt van iets hebben als het te laat is, ik weet het niet.’
Naar het einde toe verandert de auteur van toon. In een korte passage schrijft Louis drie keer héél kort na elkaar het woord misschien. Die herhaling maakt zijn twijfel tastbaar en erkent hij dat hij het zelf niet (meer) weet. Deze vertwijfeling is een moedige zet van iemand die het gemaakt heeft in het leven. Deze kwetsbaarheid zet je als lezer, terecht, aan het denken.
Niemand wordt volledig schuldig bevonden, maar ook niemand wordt vrijgepleit. Dat maakt het boek des te sterker.
De ondergang leest als een poging om grip te krijgen op een leven dat niet te redden viel. Geen gemakkelijke roman, wel een eerlijke zoektocht naar de vraag hoe iemand kan verdwijnen in de plooien van het vergeten.
Synopsis
Een man uit een arbeidersmilieu droomt zijn hele leven van een betere toekomst, maar kan geen van zijn dromen verwezenlijken. Hij zoekt een uitweg in gokken en alcohol.