1926-2026: zoek de zeven verschillen!
Een roddelaarster heet er een commére, priesters hebben er een maarte, en als je niet oppast kun je er een fleuris opdoen of krijg je er het verschot in de rug. We zijn in een polderdorpje aan de Ijzer, acht jaar na het einde van de Groote Oorlog. Liefst vierentwintig bewoners maken er hun opwachting, waarvan kapelaan Lode het centrale personage lijkt, al wordt die rol nergens door hem opgeëist. Ook rond enkele andere inwonenden ontstaan immers een soort miniplotjes, die zich sprongsgewijs ontwikkelen – de auteur betitelt de korte hoofdstukjes telkens met een dag van de maand, vier seizoenen lang. Maar het echte hoofdpersonage is natuurlijk het dorp zelf, een levend organisme met een eigen dynamiek en eigen wetten, dat beschut en omarmt wie er hoort, maar verstikt, of erger nog, beschimpt en uitspuwt wie het liever kwijt is.
Leischote is na de verwoesting rechtgekrabbeld, maar likt nog zijn wonden. Het spook van de oorlog wart er nog rond. Het is oppassen voor springstof in de grond, en vele gebroken gezinnen kampen met verlies: er zijn moeders zonder echtgenoot, zonen zonder vader. Anderen krijgen het oorlogstrauma maar niet van zich afgeschud. Schroom en schuldgevoel versperren de kans op nieuw geluk.
Het boeiende aan deze roman is dat er ook op kleine schaal allerlei minioorlogjes worden uitgevochten: moederoverste kan de pastoor niet luchten en nog minder de deken, baldadige pubers worden door hun autoritaire vader tot de orde geroepen, huwelijksmoeë koppels vliegen elkaar in de haren, buren tergen buren, politieke opponenten beduvelen elkaar, twee mannen troeven de verdachte ‘vriend’ van hun broer af, .... Met verve én in de juiste toonaard worden ze beschreven: de kleine wraakoefeningen, de afrekeningen, de venijnige roddels en de openlijke, af en toe zelfs gewelddadige clashes. Het is hierin ook dat de auteur de sprong maakt naar de 21ste eeuw, want in essentie is er niets veranderd: waar mensen samenleven, daar botst en wringt het.
De maatschappelijke laag ontbreekt evenmin. De meer fortuinlijken leven rijkelijk, maar bij de gewone man er is veel verdoken armoede. En al staat de moderne tijd voor de deur te trappelen, niet iedereen is klaar voor verandering. Liberalen, katholieken, socialisten vechten om hun plek. Arbeiders worden mondiger, ook vrouwen vinden stilaan hun stem, anderen zien de klok liever teruggedraaid - wat dacht je van een bond ‘tegen de verloedering van de zeden’?
Het tijdsbeeld wordt haarfijn neergezet: dialogen doorspekt met kleurrijk dialect en volkse wijsheden, de hiërarchie en de strenge moraal, tradities en folklore die verloren zijn gegaan – ten goede of ten kwade, de lezer maakt de rekening.
En als er één iemand dat hele weefsel kan samenhouden is het Lode wel, de jonge kapelaan die lak heeft aan titels en de dorpsbewoners met raad en daad bijstaat, en hen met zachte - of als het moet, harde - hand op het rechte pad houdt. Hij houdt van zijn dorp en vol goede moed sleutelt hij aan nieuwe initiatieven die het hogerop moeten brengen. Hier en daar wordt ook fijntjes gealludeerd op een innerlijke strijd die hij – misschien - nog te voeren heeft.
“Intussen is het weer een bruisend dorp. Voor zover een dorp bruist uiteraard”. Deze wat ambiguë uitspraak over Leischote uit de mond van pastoor Karel vat het opzet van de roman goed samen: het dorp wordt met liefde, kennis en humor opgeroepen, maar tegelijk worden ook de beperkingen en de kleinere kantjes ervan ingekleurd. Wat maakt een dorp tot een dorp? En willen we dat redden of laten we het liever verloren gaan?
Het is ook de pastoor die de eer krijgt om de roman af te sluiten. En die een geweldige voorzet geeft voor een vervolgroman. Aan de auteur nu om die binnen te koppen!